Menu

Antwoorden op vragen over het boek ‘Bestaansleegte’.

Wat is de toegevoegde waarde om de psychische belasting van uw kinderjaren te beschrijven?

Het opnemen van mijn jeugdherinneringen heeft de intentie te tonen hoe een kind in een onveilige hechting verwijderd kan raken van zijn gevoelens (bladzijde 21-27). In die situatie verliest het kind het contact met zijn gevoelens die hij op dat moment ervaart. Dat zijn voornamelijk gevoelens als angst en woede, die het kind zonder steun van de Zorger onvoldoende leert verdragen en verwerken en waardoor het vreugde gaat ontberen. Dit kan leiden tot een gebrekkig zelfgevoel (de innerlijke samenhang), en uiteindelijk tot overlevingsmechanismen. Het kind heeft immers een zelfgevoel nodig om zelfstandig zijn gevoelens te hanteren, zodat zijn ego (zelfbeeld) niet gaat domineren of wegvalt. Worden zijn gevoelens en gedachten heftiger dan het met zijn gebrekkige zelfgevoel kan verwerken, dan beschermt het zichzelf met overlevingspatronen zodat hij niet in de bestaansleegte terechtkomt. De jeugdherinneringen hebben – samen met mijn ervaringen in mijn praktijk voor integratieve psychotherapie – geleid tot een andere kijk op psychische verstoringen en aanbevelingen zoals verwoord in het boek ‘Bestaansleegte’.


U schrijft dat bestaansleegte een toestand is waarin de Vrager zijn zelfgevoel kan verliezen en tevens zijn overlevingspatronen. Wat voegt dit toe aan bestaande beschrijvingen?

Op dit moment wordt de definitie van bestaansleegte in de psychiatrie omschreven als het wegvallen van gevoelens en gedragingen die er horen te zijn. Dit zijn ‘gezonde’ gevoelens en gedragingen, zoals bv blijdschap ervaren of initiatief nemen. Wat ik heb toegevoegd aan de bestaande omschrijving van leegte is dat ook de ‘ongezonde’ gevoelens en gedragingen wegvallen, die er niet zouden moeten zijn. Zoals sombere gevoelens of suïcidegedrag. Het bovenstaande verwoordt de essentie van bestaansleegte, en daarmee bedoel ik het volgende. De vrager verliest niet alleen zijn zelfgevoel maar ook zijn pseudo-identiteit, zijn overlevingsstijl. Anders gezegd: hij verliest zowel zijn ‘gezonde’ zelfgevoel, als zijn ‘ongezonde’ overlevingspatronen waarmee het kind zich staande hield.


Bestaansleegte is moeilijk te vatten, maar ik voel dat de kern wordt geraakt. Kunt u dit nog verder verduidelijken?

De toestand bestaansleegte is moeilijk te vatten, doordat deze leegte ten onrechte wordt opgevat als een overlevingsmechanisme. Het verschil met overlevingsvormen is dat de Vrager in dit stadium zijn wil tot leven kan verliezen door het wegvallen van zijn gevoelens. Zolang de Vrager gevoelens ervaart en zich kan uitdrukken, in welke vorm dan ook, is de Vrager in staat tot handelen. Ook als de gedragingen van een Vrager in een overlevingsvorm zichtbaar worden, bijvoorbeeld tijdens een psychose waarin de Vrager zich kan identificeren met archetypische of historische figuren zoals in hoofdstuk vier en zeven is beschreven, is de Vrager in staat tot handelen te komen. Voor de buitenwereld is dit mogelijk geen doelgericht gedrag, maar er is nog wel sprake van opgewekte tot manische of sombere stemmingen, gedragingen en gedachten. In de bestaansleegte komen deze gedragingen en gedachten tot stilstand doordat de overlevingmechanismen wegvallen. Dat betekent dat de Vrager in de ernstigste vorm van bestaansleegte niet meer kan voelen, denken en handelen. Het ontbreekt hem aan gevoelens die hem tot actie bewegen.


Leidt een onveilige hechting altijd tot psychische problemen?

Nee, er bestaat geen één op één relatie tussen een onveilige hechting en bestaansleegte. Niet alle mensen die onveilig gehecht zijn krijgen last van bestaansleegte. Het is ook niet zo dat mensen die veilig gehecht zijn de garantie hebben daarmee niet in aanraking te komen.


Begrijp ik u goed dat bij bepaalde ernstige vormen van bestaansleegte hechting aan de Helper in een therapieproces een voorwaarde is?

Ja, dat heeft u goed begrepen. Doordat de mens een zelfgevoel nodig heeft om autonoom te kunnen handelen, voelen en denken, maar ook om overgave te ervaren, komt de vraag naar boven: ‘Wat heeft de Vrager nodig om zijn zelfgevoel weer te ontdekken en te vormen zodat hij zijn overlevingspatronen kan doorbreken en bestaansleegte kan verdragen’.


Gezien de theorie van Bolwby is er hechting nodig om een zelfgevoel te ontwikkelen. Hechting geeft zowel het kind als de kindpositie in de volwassene de mogelijkheid om een identiteit te ervaren zonder dat zijn ego zich teveel laat gelden, of juist niet laat zien. Met andere woorden: de Vrager kan weer een zelfgevoel ervaren als hij zich mag hechten aan de Helper zoals een kind aan de Zorger (bladzijde 114-115). Nu is de visie dat Vragers zich niet mogen hechten aan Helpers. Hechting wordt sinds een aantal jaren wel als een belangrijk aspect gezien in het proces van de Vrager, zoals bij de Schematherapie (in de Schematherapie wordt dat ‘Limited reparenting’ genoemd). In het boek ‘Bestaansleegte’ leg ik uit dat je nooit met gedragscognitieve technieken een zelfgevoel kunt opbouwen. Gedragscognitieve therapie is wel ondersteunend in het vormen van een zelfgevoel, maar uiteindelijk is het ontwikkelen van een zelfgevoel in eerste instantie alleen mogelijk door de ogen van de ander, zoals Bolwby het hechtingsproces van een kind beschrijft. Daar bedoel ik mee: met gedragscognitieve therapie kan de Vrager wel een positief zelfbeeld ontwikkelen maar om dit te laten beklijven heeft de Vrager een zelfgevoel nodig die wordt gevormd in een hechtingsproces. Ik beschrijf dit proces vanuit drie posities. Als Helper, als Vrager en als kind van twee ouders met een psychiatrische verstoring.


Wat hebben de Oerleegte en de Bestaansleegte met een behandeling te maken?

De nabij-doodervaring is niet wetenschappelijk bewezen in de zin dat er leven na de dood is, maar wel dat deze ervaring bestaat. Ook de psychiatrische ziektebeelden beschreven in het DSM 5 zijn niet bewezen en aangetoond als bestaande ziekten, maar de ervaringen bestaan. Deze toestanden zijn wel in verschillende onderzoeken onderzocht op samenhang tussen de symptomen bij personen die dezelfde ervaring hadden. De meerwaarde van het hoofdstuk Oerleegte is dat het aantoont dat een persoon zowel in de bestaansleegte als in de Oerleegte geen zelfgevoel meer ervaart. Terwijl de persoon in de nabij-doodervaring een universele samenhang ervaart, voelt de persoon in de bestaansleegte zich onthecht van zichzelf en vervreemd van de ander en de wereld.


 Bedoelt u met transpersoonlijke aansluiting dat de Helper zijn eigen oordelen evalueert?

Met transpersoonlijke aansluiting bedoel ik dat de Helper zijn eigen gevoelens en gedachten zonder oordeel kan hanteren, en luistert en kijkt naar het gedrag, gevoelens en gedachten van de Vrager, los van de gestelde diagnose. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar door allerlei protocollen, tijdgebrek en machteloosheid van Helpers wordt dikwijls niet voldoende het verhaal achter de symptomen gezien en gehoord. Ook blijkt dat transcendente ervaringen in een psychose met regelmaat niet worden herkend maar als ‘ziek’ worden gezien. Het zou een vooruitgang zijn als transcendente ervaringen ook als helend gezien kunnen worden, en dat er aansluiting komt op deze belevingen in psychoses.


 De kracht van overlevingspatronen

Met dit boek wil ik verduidelijken dat het belangrijk is de kracht te zien van overlevingspatronen. De symptomen beschreven in het DSM handboek zouden gezien kunnen worden als uitingsvormen van overlevingspatronen hoe het kind heeft overleefd in moeilijke situaties. Ook is het van belang dat er aandacht is voor de zijnservaring in de psychose, die regelmatig over het hoofd gezien wordt, of als ziek wordt beschouwd.

De begrippen Vrager en Helper geven de algemene behoefte aan om de ‘ongelijkwaardige’ positie tussen beiden te verkleinen. De Vrager is kwetsbaar en heeft een hulpvraag, de Helper handelt vanuit zijn deskundigheid en zou als een tolk kunnen vertalen wat de Vrager nodig heeft.


Van bestaansleegte naar Oerleegte

Als het de Vrager lukt om de bestaansleegte te verdragen, met of zonder hulp, dan is het mogelijk om de Oerleegte te ervaren. Het zijn en niet-zijn vallen in deze toestand samen. Het lijkt de enige tegenstelling die geen tegenstelling is en geeft de Vrager de kans tot zelfverwezenlijking, tot zelfverbinding. In deze fase zijn heden, verleden en toekomst gelijktijdig aanwezig. Het gaat hierbij niet om de herhaling van het verleden of om de verwachting van de toekomst maar om de zoektocht naar ontwikkeling en zelfverbinding. Bestaansleegte en Oerleegte zijn ontgrenzende ervaringen en kunnen daardoor in elkaar overgaan. Van een situatie zonder bestaansgrond en bezieling naar een toestand waarin de mens zich één voelt met de wereld.